TAVERNIER

In zijn voortdurende en koortsachtige zoektocht naar de gerechtigheid en de waarachtigheid heeft Tavernier, na er eerst pakweg dertig jaar diep te hebben over nagedacht, het kunstwerk gebaard dat ons heden in de schoot wordt geworpen.
In de lyriek van Tavernier valt meteen de beleefdheid op waarmee de personages die her en der voor het voetlicht worden gebracht, met elkander omgaan. Nooit of te nimmer brult er eens iemand op een onbewaakt moment: ‘Op je knieën, rothoer dat je bent.’ Zeer zelden of bijna nooit komt het voor dat er bijvoorbeeld iemand een café binnenstapt en luidop als volgt het woord neemt: ‘Ik ben geil en ik wil neuken.’
Thans, levend in dit woedende tijdsgewricht kunnen wij ons dat eigenlijk niet goed meer voorstellen maar dat soort seksualiteit bestond nog niet in de tijd dat deze liederen ontstonden en Tavernier zelf nog een verhitte jonge stier was. Het was een tijd waarin mensen nog in nederigheid en in het besef van de eigen onvolmaaktheid aandacht schonken aan elkander en tederheid nog geen loos begrip was. En als men dan eens bronstig van bil wilde gaan en het ontuchtig seksuele als het ware in de praktijk wilde brengen dan ging men eerst te biechte en daarna was de goesting meestal over. Makkelijk zat.
Waarmee ik slechts dit wil zeggen: deze Taverniaanse verhalen, deze lyrische miniaturen zijn tot ons gekomen vanuit een andere tijd. En dit zowel wat het vormelijke als het inhoudelijke betreft. We stappen als het ware in het krakende schip van de herinnering en varen op de oude rivier van het verlangen, langs de velden der weemoed voorbij de grote witte huizen aan de waterkant waarin de spoken van de wanhoop voor eeuwig dwalen en we denken bij onszelf: wat zijn we toch een ellendige stommelingen geweest want het komt nooit meer goed.
En verder is er eigenlijk niets aan de hand. We leven nog, godzijdank, dus waar zouden we over klagen? We moeten voort, altijd maar voort, zo luidt het, maar de vraag is natuurlijk: waarheen? Het is eigenlijk allemaal niet te bevatten.
Maar goed, Tavernier is eindelijk losgebarsten.
Hij trekt het land door met een band die brult als een leeuw en loeit als een stier en het lawaai is bijna niet te harden maar hoe moet men anders optornen tegen de pletwals Clouseau. Want voor deze keuze worden wij aldus geplaatst: kiezen wij kordaat voor het volle bruisende leven of gaan we nog wat liggen suffen in de hangmat? Dan zeg ik: laat mij alstublieft nog wat verder slapen want van al dat drukke gedoe, daar word ik zo dodelijk moe van.
Tot slot spreek ik hier de hoop uit dat al de lekkere wijven en vlotte jongens van Vlaanderen en Nederland zich dit juweeltje van een ceedeetje zouden aanschaffen zodat ze voor een keer met de echte beschaving worden geconfronteerd en ze het inzicht zouden verwerven dat het ontzettend onbeleefd is voortdurend met kauwgom in de bek rond te lopen en elkander met motherfucker aan te spreken, want daar word ik op den duur zot van.
Leve de beschaving, leve Tavernier!

LUC DE VOS