TECHNISCHE WETENSCHAPPEN

Soms moet ik in Eeklo zijn, ik kan er ook niet aan doen. Sommige zaken zijn onvermijdelijk.
Daar reeds doemde de parel van het Meetjesland, die metropool van cultuur en nijverheid, voor mijn ogen op onder een druilerige, kille regen. Die regen was druilerig en kil, ik kan er ook niet aan doen. Ik gebruik nooit bijvoeglijke naamwoorden wanneer dat niet nodig is. En vergeet alstublieft niet hoe wij de afgelopen lentemaanden hebben zitten bibberen naast de stoof. Klaag nooit wanneer het te warm is buiten. Roep Onze Heer niet van zijn kruis, zei mijn opa. Dat wil zeggen: daag de goden niet uit, voor u het weet wordt uw hoogmoed en zelfbeklag bestraft. Te Eeklo diende ik vanwege omstandigheden een school te bezoeken die zich richt op het technisch onderwijs. Zoals u weet hebben wij in ons land een flink tekort aan jonge mensen die zich in de technische vakken bekwamen, jongens en meisjes die iets wensen te doen met hun handen, dingen te maken met behulp van grondstoffen en werktuigen, alaam zoals men het vroeger noemde, tools dus. De industriële nijverheid verlegt zich naar landen als China. Daar is de arbeid goedkoop en er wonen talloos veel ambachtslui die nog echt een kast kunnen ineen timmeren. Er zijn er ook die zoals in de renaissance een beeld kunnen kappen uit marmer, beter nog dan Michelangelo Buanarotti zelf, want deze man dronk en klopte er soms naar als een blinde naar een ei. Gefortuneerden uit Hollywood en Arabië bestellen in China perfecte replica’s van bijvoorbeeld de David van Michelangelo, u kent dat wel, dat beeld van die seksueel aantrekkelijke naakte jongeling dat zich te Florence bevindt. Met deze kunst die nog beter is dan het origineel bekleden zij hun paleizen. Omdat hij geen tijd en geen goesting heeft om zijn kunstwerken zelf te maken heeft ook kunstenaar Jan Fabre zijn nieuwe beelden daar besteld in China. Hij had gezegd tegen die Chinese ambachtslui, in het chinees: ‘maak mij onmiddellijk een paar beelden in het duurste marmer uit Carrara en ze moeten nog beter zijn dan die van Michelangelo.’ Een Gents kunstenaar heeft zijn nieuwe werken die hij nu in het Louvre exposeert ook allemaal door Chinezen laten maken. Ik vind: wanneer andere mensen het beter kunnen, waarom het dan zelf doen, dat is toch logisch? Daar in dat technisch instituut te Eeklo was het een plezier om te zien hoe die jonge gasten stalen platen bogen en pletten en freesden en elektrische koppelingen tot stand brachten, vijzen en moeren aanschroefden en zodoende een hele machine in elkaar knutselden. Ik moest denken aan die lollige spreuk die vroeger in herbergen boven de toog hing: ‘ik hou van werken, ik kan er uren naar kijken’. Hier kreeg deze spreuk een nieuwe maar ware betekenis: het deed mij deugd van deze jongeren aan de arbeid te zien, binnen een niet-ironiserende context. Als we niet opletten gaan we nog een keer ten onder gaan aan de ironie. En kijk, daar en toen betrad ik de afdeling lassen en solderen en aan een werkbank zag ik een kleine jongen staan, wellicht een jongentje van het eerste jaar. Hij had bolle wangen en sproeten en lange bruine lokken die in zijn ogen hingen. Hij droeg een blauwe overall die hem te groot was en hij was naarstig in de weer met een soldeerbout om twee koperen draden met elkaar te verbinden, onhandig nog, zoals alleen een kind onhandig kunnen zijn. De koperen draden spartelden tegen en met zijn tong tussen zijn lippen stond hij daar nu toch zijn best te doen, die dappere vent. Een traan welde op in mijn ene oog en ergens in mijn geest zonk iets neer dat ik niet durf te benoemen. Die avond in mijn bed moest ik denken aan een verhaal van de schrijver Gerard Reve waarin zijn vriend Jan De Hartog hem mee troont naar een gaarkeuken en hem daar een oude gebrekkige man aanwijst die zijn bord zit leeg te eten en Jan De Hartog zegt tegen Gerard Reve: ‘dat is God’. Wie was die jongen die ik daar zag in dat instituut? Zijn naam ken ik niet maar ik hoor hem in al mijn dromen.

LUC DE VOS