WIJ NADERDEN VAN ALLES HET EINDE

’t Was winter. ’t Was guur en het woei. En wij naderden van alles het einde. Niet het volbrengen naderden wij, maar het einde. Niet het baren maar het afbreken van wat ooit bijna een zwangerschap was.
Vroeger bestond dat nog, een beetje zwanger zijn, dan kon je nog een beetje rond de pot draaien en dan kreeg je wat kletsen van je vader maar alles kwam dan toch weer goed. Maar dat bestaat allang niet meer, die discussies over zwangerschappen en ik ben er pas vierendertig. Ik heb dat nog meegemaakt dat het van moeten was. Dat lijkt allemaal zo lang geleden. Ik heb bij wijze van spreken de oorlog nog meegemaakt. En op die scholen in de jaren zeventig zat het nog vol met van die blaffende paters en zieke kinderen met een urinegeurtje. Na mijn gedwongen verwijdering gaven de paters plots allemaal de geest en werden zij in een stille maar grote revolutie vervangen door de permissieven. Maar ik heb nog moeten meemaken dat het guur was en dat het woei in mijn angstige hersens en dat het te moeilijk was voor mij en dat ik dacht dat het altijd zo zou zijn, veel te moeilijk allemaal, en dat ik daarom voor immer zou moeten zwerven zonder ooit de vrucht van een of ander onduidelijk streven te kunnen aanschouwen. Zoals Max Von Trotinetta die de autoped had uitgevonden omdat hij te lui was om de fiets uit te vinden. Want dat idee van twee wielen tussen een plank, dat was al geniaal genoeg en laat mij nu met rust, moet hij gedacht hebben. Maar ondertussen had er al iemand de trappers en het kamwiel uitgevonden. Dat was natuurlijk tegen Max zijn kloten, kun je rekenen. En waarom is het ijdel te hopen dat ze ooit nog eens straten uitvinden die alleen maar naar beneden gaan, dan moet je niet peddelen, allen maar drijven; wij mogen het denken niet ommuren met die eeuwige logica, daar is nog geen mens beter van geworden, zo lezen wij in Von Trotinetta’s dagboek. Zo heeft hij de rest van zijn dagen gesleten, op zoek naar een systeem om immer bergaf te kunnen rijden.
Maar in die winter waarin het woei en alles op zijn einde liep, was ik een straatarme rondreizende zanger en ik speelde mijn levensliedren op de straat. En meestal zwierf ik aan de kust. En na mijn dagtaak ging ik des avonds staan kijken door het grote raam van taverne Het Licht te Knokke want daar speelde Johan Stolz dat oude lied dat ik nog kende van vroeger en dat ik samen met mijn zusje meezong met de radio. Concerto voor jou, Natasja, speel ik op het klavier van mijn hart. (De zanger draagt een donkere bril. Hij is niet blind, hij ziet het licht in elke lamp, elke vervloekte voor de hand liggende lamp.)
Daar denk ik soms aan, aan die winter dat ik voor het raam stond in Knokke. Want daaruit kan ik vreugde putten, dat er mensen zijn die in casino’s en taveernen en herbergen en uitspanningen maar vooral in zaal Ponderosa, die met zadels en lasso’s overwoekerde zaal Ponderosa, dat ze daar liedjes zingen over de taiga en over de trojka die in de ochtenduren na het feest over het meer van Ladoga suist met Natasja die naakt is en hevig dronken en die slaapt onder haar berevel in de armen van haar verse verloofde, op weg naar haar winterpaleis. Maar die oorbellen, die kasseistenen van diamanten, die had ze natuurlijk aangehouden en die klingelden heen en weer op het blote vel van haar hals. En op het einde gaan ze allemaal ten onder, of wat had je gedacht.
Over alles moet je zingen, je mag je nergens voor schamen, het mag een verhaaltje zijn. Men mag het een beetje snappen en je mag ook wat overdrijven. Maar niet te veel. Want die gevoelens en zo daar word je op den duur en beetje emotioneel van en dat dienen wij ten allen prijze te vermijden.
Laat de arbeid ons enig doel en onze enige troost zijn voorlopig, dat hou je nog het langste vol. Laten wij daarom ook niet al te uitvoerig op een afscheid ingaan. Want het loopt hier heden ten einde, weet je wel. Eenmaal vaarwel moet hier volstaan. Daarna gaan we allen weer ons weegs. We zijn toch geen kinderen meer. Ik wou niets bijzonders, ik wou wat bestellen en ik wou wat praten met mensen. En bij het afscheid, wou ik zeggen: het was fijn, hier bij jullie, lieverdjes. Ik verlaat jullie met dit eenvoudig naturalistisch gedicht dat ik deze nacht droomde:

Geworpen op de aarde
door een wijf dat ons baarde
staan wij zwijgend aan de rand
en staren naar de overkant.