BEING THERE (AANWEZIG)

Het liefste wat ik doe is in allerlei zalen mijn liederen gaan brullen. Dat is een fijn beroep. Vorige zaterdag speelden we in West-Vlaanderen, geloof ik. Ofwel was het Limburg.

Ik hou dat eerlijk gezegd niet echt goed bij. We rijden ergens naartoe, eender waar, we zijn overal welkom want de mensen zien ons graag. Vervolgens maken wij ongelofelijk veel lawaai met onze trommels en onze gitaren en versterkers. Kortom, we spelen de zaal plat, drinken de frigo leeg en dan gaan we weer naar Gent want daar is altijd wel een of ander feest aan de gang.
Ik belandde zaterdagnacht samen met mijn maten in de Culture Club. Ja, die jongens van de Culture Club dat zijn fijne lieden. Het was de releaseparty van hun tweede compilatie-CD. Ze hadden mij gevraagd of ik niet wilde meedoen in een reclamefilmpje voor die CD. En ik moest ook nog een radiospot inspreken. En ik diende ook een acte de présence te doen op die avond zelf. In ruil kreeg ik vijf bonnetjes, zei de baas van de club. Dat vond ik eerlijk gezegd te weinig. Ik wilde er minstens tien. Het werden nog harde onderhandelingen. Uiteindelijk wist ik er na veel zagen nog zeven uit de brand te slepen.
Ik vroeg aan de baas: ‘een acte de présence, wat is dat eigenlijk?’
‘Dat is een daad van aanwezigheid,’ zo sprak hij: ‘gij moet hier blijven staan tot het ochtend wordt. En niet in slaap vallen, ik zweer het u, of ons contract is niet meer geldig!’
Nu stond ik daar aanwezig te zijn. Ik leunde tegen een paal. Ik kon eerlijk gezegd niet meer op mijn benen staan van vermoeidheid. Overal die zalen platspelen in België, allemaal goed en wel, dat is enorm plezierig en boeiend vooral, maar op mijn leeftijd gaat dat niet in de koude kleren zitten.
Mijn maat Rocky had mij in het oog gekregen. Daar hebben we weer die Rocky, die eeuwig zoekende mens, zo dacht ik bij mijzelf. Met zulke vrienden heeft men geen vijanden nodig.
‘Vos,’ zo sprak hij, ‘wat staat gij hier te doen?’
Ik zei: ‘ik ben bezig met hier aanwezig te zijn want ze hebben mij ingehuurd voor een acte de présence, in wezen wil dat zeggen een daad van aanwezigheid.’
Rocky sprak: ‘aanwezig zijn, persoonlijk zou ik dit eerder een toestand noemen en niet echt een daad.’
‘Denkt gij dat echt, Rocky? Aanwezig zijn is een daad, zeg ik u. Is aanwezig zijn op zichzelf niet de enige daad die wij werkelijk stellen hier op aarde in dit heelal? Wat zeg ik, een daad? Een echte heldendaad is het, zeg ik u. Zeker in mijn geval. Weet gij dat ik daarnet ergens in België een hele zaal heb plat gespeeld? Dat ik hier nu aanwezig ben is een daad van wilskracht. Ik word altijd maar ouder en ik heb van alles gemist in mijn leven. Ik moet hier aanwezig zijn om nog iets te hebben aan wat er mij nog rest van mijn leven, om andere nieuwe en boeiende mensen te ontmoeten, om met hen te praten, begrijpt gij het Rocky, het is nu of nooit, dat bedoel ik met aanwezig zijn. Gij zijt nog te jong om dat soort dingen te begrijpen.’
‘Ja, Vos, gij kunt het goed uitleggen, allemaal dingen die gij ergens anders gelezen hebt, bij Gerard Reve en bij Jerzy Kozinksi en bij Konstantin Paustovski. En nu probeert gij daar de grote jan mee uit te hangen. Volgens mij zijt gij hier alleen voor de gratis bonnetjes, Vos. Ik heb u wel bezig gezien. Gij hebt zeven gratis bonnetjes gekregen. Allemaal voor die reclame die gij maakt voor de Culture Club. Waar is uw revolutionair engagement gebleven? Weet gij het nog dat we zwoeren in onze jonge tijd: ni dieu, ni maître! In navolging van hen die ons voorgingen in de woelige jaren der mei’68-revolutie. Vos, gij zijt een middenstander geworden, in de letterlijke en figuurlijke betekenis van het woord.’
Ik zei: ‘Rocky, jongen, luister, die gasten van mei ‘68 dat waren rijkeluiszoontjes die niet beter te doen hadden dan op straat wat te staan brullen en die leefden op kosten van papa en mama. Ik doe daar niet meer aan mee. Ik ga voor de gratis bonnetjes. En nu ga ik naar huis!’
In het duister liep ik langs de Afrikalaan huiswaarts. Ik moest denken aan Liberace. Kent u dat verhaal van Liberace zaliger, die bekende Amerikaanse ster uit Las Vegas? Hij was niet meteen de meest vernieuwende artiest. Hij richtte zich vooral op het grote publiek met melodieën die goed in het gehoor lagen. Hij lag niet in de bovenste lade bij de critici. Een criticus vroeg hem: vind u dat niet erg, steeds weer die commentaren dat u zulk een rotcommercieel zwijn bent? Liberace’s legendarische antwoord luidde: ‘indeed sir, I cried all the way to the bank.’

LUC DE VOS